De Californian weigert hulp
De honderden mensen die in het water lagen, wisten dat de reddingsboten hun enige overlevingskans waren. Redding moest snel komen, want geen sterveling kon het in het ijskoude water lang uithouden. Er werd hard om hulp geroepen en geschreeuwd en de mensen spraken elkaar ook moed in: "Laten we bij elkaar blijven. We hebben meer kans om door een reddingsboot opgepikt te worden als we bij elkaar blijven", hoorde een hofmeester, die zelf ook in het water lag, de zwemmers om zich heen roepen. Maar de mensen in de reddingsboten dachten helemaal niet aan het redden van drenkelingen. De meesten zaten verdoofd voor zich uit te staren. Directeur Bruce Ismay, in boot C, was er heel slecht aan toe. Hij leed aan wat wij nu acute stress noemen en zag of hoorde niets meer: hij was volledig van de kaart. De vrouwen die nog geen half uur geleden hun mannen niet alleen achter hadden willen laten en door bemanningsleden ruw in de reddingsboten gezet of gesmeten moesten worden hadden niet de tegenwoordigheid van geest om op de angstige kreten van de zwemmers te reageren door terug te roeien. In boot 9 zat Leontine Aubert, Ben Guggenheims Franse maîtresse, alsmaar te huilen, waarbij ze de woorden "mon marie, mes malles", constant bleef herhalen.

Natuurlijk waren er ook vrouwen die de schok van het gebeuren wel snel te boven waren en terug wilden om de mannen te redden. Molly Brown uit Denver was een vrouw die opgegroeid was in het wilde westen en van wanten wist. Gladys Cherry, een ongetrouwde Engelse juffrouw, wilde ook meteen terug. Gravin de Rothes vond ook dat er onmiddellijk geholpen moest worden. Deze vrouwen waren snel over de schok heen: ze hadden dan ook geen van drieën een partner aan boord. Maar in 1912 hadden de mannen het volledig voor het zeggen en het waren vooral de bemanningsleden die er niets voor voelden om zich met de kleine reddingsbootjes tussen de honderden zwemmers te begeven. De grote angst was dat zich te veel zwemmers aan de boot zouden vastklampen, zodat die omsloeg en iedereen in het water terecht zou komen. Zo werd ook gedacht in boot 1 die plaats had voor ruim veertig man, maar slechts bezet was door twaalf personen, waarvan vijf passagiers. Heel schuchter werd even door iemand opgemerkt dat ze misschien wel terug zouden kunnen gaan om een paar drenkelingen op te pikken, maar de stokers en de twee prominentste passagiers, Lady Duff Gordon en Sir Cosmo Duff Gordon, voelden daar niets voor. Even later bood Sir Cosmo de bemanningsleden, die over het stopzetten van hun gage en het verlies van hun uitrusting begonnen te klagen, elk vijf pond aan, ongeveer een maand salaris, voor een nieuwe uitrusting. Vijfde stuurman Lowe wilde wel onmiddellijk terug, maar zag ook het risico dat de vele drenkelingen konden opleveren. Hij begon de passagiers van zijn boot, nummer 14, te verdelen over de boten bij hem in de buurt. Daarna zocht hij een getrainde bemanning voor zijn boot, maar nog steeds was het hulpgeroep hem te massaal. Hij besloot te wachten tot het rustiger werd en dan terug te gaan. Toen hij eindelijk ging, trof hij nauwelijks overlevenden aan. Hij pikte vijf man op waarvan er een kort daarna door onderkoeling overleed. Maar de meeste boten bleven liggen, er werd wel gesproken over teruggaan, maar tot daadwerkelijke actie kwam men niet. In plaats daarvan maakte men ruzie over drankgebruik en roken van sommige mannen. In veel boten werd geroeid om warm te blijven. Elke keer als een roeiriem het water beroerde, lichtte die plek spookachtig fosforescerend groen op, maar het was te weinig licht om de boten onderling bij elkaar te houden. Vierde stuurman Boxhall stak daarom af en toe wat groene romeinse kaarsen af, het herkenningsvuurwerk van de White Star Line, dat door de andere boten wel gezien, maar niet begrepen werd.

Een eindje verderop lag boot B, die ondersteboven van de Titanic was afgespoeld, met een groep zwemmers er om heen die op de kiel wilden klimmen. Maar de mannen op de boot vochten om ze er af te houden. "Ga weg, er is geen plaats meer!", riepen ze, "Als er meer mensen op klimmen, slaat hij om en verdrinken we allemaal!", en met hun schoenhakken en een roeiriem timmerden ze op elke hand die naar de boot reikte. Toch lukte het een paar zwemmers alsnog op de omgekeerde boot te klimmen. Marconist Bride was, tegelijk met de boot, van de Titanic afgespoeld en er onder terechtgekomen. Happend naar lucht kwam hij er weer onder vandaan, zwom wat rond en besloot op de boot te klimmen. Tweede stuurman Lightoller kwam via een omweg ook bij de boot terecht. Toen hij van de brug van de Titanic afgespoeld was, werd hij tot twee maal toe door het naar binnen stromende water tegen een rooster aangedrukt en vrij ver mee de diepte ingetrokken. Toen hij boven kwam, viel net de voorste schoorsteen van de Titanic, in een wolk van roet en vonken, vlak naast hem in het water. De golf die daardoor ontstond spoelde hem tot vlak bij de omgekeerde opvouwbare boot B. Door Lightoller's doortastende optreden vanaf dat moment - eindelijk was er eens niemand die hem vertelde wat hij doen moest - wist hij in de volgende uren de meesten van de ongeveer 30 man op de boot te redden. Marconist Bride kon Lightoller vertellen dat de Carpathia onderweg was en dat ze 58 mijl had af te leggen toen Phillips om kwart over twaalf voor het eerst met haar in contact kwam. Lightoller berekende dat het schip tegen vier uur ter plekke moest zijn, ze zouden het dus nog zeker anderhalf uur op de omgekeerde boot uit moeten houden.

Kapitein Arthur Rostron van de Carpathia deed er intussen alles aan om zijn schip zo snel mogelijk naar de opgegeven positie te laten stomen. Hij had de wachten uit laten porren en een extra wacht stokers lieten de vuren in de ketels loeien. Alle stoom voor warm water en de verwarming werd naar de machines geleid. Er werd wel stoom aan dek gezet, zodat er stoom op de winches stond. In een paar uur tijd had Rostron zijn schip volledig getransformeerd voor een grote reddingsoperatie. Met 25 orders naar de verschillende afdelingen van zijn schip en zichzelf als middelpunt op de brug, had hij niet alleen alles strak in de hand, maar hij wist ook zijn hele bemanning te inspireren tot initiatief en volledige inzet. Zijn optreden dwong een geweldig respect af bij zijn bemanning. Tweede stuurman James Bisset van de Carpathia, was er diep van onder de indruk. "Terwijl de Carpathia door de nacht schoot, stond kapitein Rostron voor een moment rustig naast mij, zijn pet hield hij net boven zijn hoofd en zijn lippen prevelden een gebed. Meteen daarop was hij weer als een elektrische vonk, die iedereen tot activiteit aanzette", schreef Bisset later in zijn memoires. Rostron begreep maar al te goed dat hij met grote snelheid een gebied met ijsbergen instoomde. Hij verdubbelde de uitkijk in de mast, zette twee man op de bak en een op elk eind van de brug. Bisset zag de eerste ijsberg en Rostron liet het roer omgooien. Zo werden nog vier ijsbergen omzeild, maar geen enkele keer werd de snelheid uit het schip gehaald. Rostron wist wat er op het spel stond: 1000 opvarenden waarvoor hij de verantwoordelijkheid had op zijn eigen schip, en 2000 opvarenden van de Titanic die dringend hulp nodig hadden. Hij wist niet dat er toen nog maar 700 van de ruim 2000 over waren en die 700, in de kleine vloot van reddingsboten, wisten net zo min dat de Carpathia op volle kracht naar hen op weg was.


Vierde stuurman Joseph Groves Boxhall.


Rond de plaats waar de Titanic gezonken was, concentreerden de overlevenden in de reddingsboten zich weer op het licht van het vrachtschip, dat de hele nacht al aan de horizon zichtbaar was geweest. Vooral de mensen in bakboordsboten met de even nummers, die het licht al vanaf de Titanic hadden gezien, begonnen er naar toe te roeien. Het licht was soms helder, soms vaag en soms waren er meerdere lichten of een rood of groen navigatielicht te zien geweest. Kapitein Smith had op de 'Titanic' tegen sommige bemanningsleden gezegd dat ze naar het schip toe moesten roeien, daar hun passagiers afzetten en weer terug roeien voor meer mensen. Smith was er van overtuigd dat men op het schip de vuurpijlen van de 'Titanic' gezien had en dat men elk ogenblik naar de Titanic toe zou komen. Vierde stuurman Boxhall meende ook dat het schip dichterbij kwam, het voer wel niet snel, heel langzaam zelfs, maar het kwam toch duidelijk naderbij. Eerst had hij met de kijker alleen een mastlicht gezien, later twee mastlichten. Toen zag hij een tijdlang haar groene stuurboordlicht, later ook haar rode, een duidelijk teken dat het schip met haar boeg in de richting van de Titanic lag. Boxhall kon de lichten duidelijk zonder kijker, allemaal onderscheiden. Wat Boxhall over het hoofd zag, was dat niet het schip in de verte op de Titanic afkwam, maar dat de Titanic met haar massa van 46.000 ton al die tijd rustig haar vaart uitliep en zelf de afstand tot dat schip verkleinde. Bijna twee uur na de aanvaring merkte stoker Fred Barrett, bij het neerlaten van boot 13, dat het schip nog steeds enige vaart maakte.


De Californian, het schip dat weigerde hulp te bieden aan de zinkende Titanic. Tot op zijn sterfbed zou kapitein Lord beweren dat hij een ander schip zag die bewuste nacht.


Welk schip het was en wie de beslissing nam om niet te reageren op de acht vuurpijlen van de Titanic, werd pas meer dan een week later duidelijk. In een klein onbeduidend krantje, de Clinton "Daily Item" van 23 april 1912, verscheen op de voorpagina een artikel dat meteen de naam van het schip prijs gaf. "CALIFORNIAN WEIGERT HULP" , schreeuwde het venijnige kopje. De timmerman van de Californian, W.F. McGregor, had niet langer zijn mond willen houden over wat er gebeurd was in de nacht dat de Titanic verging. Hij had zijn kennis aan zijn neef in Clinton gespuid en die had de krant ingelicht. McGregor's verhaal kwam er op neer dat de stuurlui op de brug van de Californian de vuurpijlen en het schip dat ze afvuurde hadden gezien en de kapitein hadden gewaarschuwd, maar dat die niets had willen ondernemen. Kapitein Stanley Lord van de Californian sprak het bericht in Boston, waar zijn schip lag, natuurlijk onmiddellijk hartgrondig tegen.


Kapitein Lord van de Californian.


Er was niets, en zeker geen vuurpijlen of noodsignalen, te zien geweest. Een dag later verscheen in 'The Boston American' een beëdigde verklaring van een ander bemanningslid. Ditmaal was het de donkeyman Ernest Gill die verklaarde zelf de vuurpijlen gezien te hebben toen hij na middernacht aan dek een sigaret was gaan roken. Kapitein Lord sprak nog eenmaal met de pers waarbij hij Gill's verhaal als een leugen en een hoop onzin brandmerkte. Tot dan toe had hij volgehouden dat de reis van de Californian een normale routinereis geweest was. Maar de reis naar Boston was verre van routine geweest. Voor het eerst in zijn loopbaan was kapitein Lord met een schip in een ijsveld terechtgekomen, een situatie die hem grote zorgen had gebaard. Toen op de avond van 14 april om tien voor half elf derde stuurman Charles V. Groves het ijsveld in de verte voor het schip zag, was het kapitein Lord die onmiddellijk de telegraaf op volle kracht achteruit trok en de Californian tot stilstand bracht. Lord verdween daarop naar beneden, Groves alleen op de brug achterlatend. Om tien over elf merkte Groves de lichten op van een schip dat naar het westen voer. De vreemdeling bevond zich ten zuiden van de Californian en naarmate ze dichterbij scheen te komen, werd het Groves duidelijk dat het een groot passagiersschip was. De hoeveelheid licht die het schip had was zo sterk dat hij niet eens haar groene stuurboordlicht zag. Tegen 11.40 uur stopte het schip en gingen plotseling de lichten uit, toen zag Groves voor het eerst het rode bakboordlicht. Hij dacht dat de verlichting op het schip was uitgedraaid om de passagiers naar bed te krijgen. Hij had geen reden aan te nemen dat het schip zo van koers was veranderd dat het recht op hem afkwam en het daardoor alleen maar léék of de lichten uitgegaan waren.

Kapitein Lord had het schip omstreeks dezelfde tijd ook zien naderen. Hij stond een dek lager dan Groves en volgens hem was het een vrachtschip zoals de Californian. Net als Groves, zag Lord dat het schip vanuit het oosten naderde, maar hij zag wel het groene stuurboordlicht van de vreemdeling. Even later vroeg kapitein Lord aan zijn marconist, Cyril F. Evans, welke schepen er door hem te ontvangen waren. "Ik denk dat de Titanic in de buurt is, ik kan haar horen", meldde Evans. Kort daarop vertrok Lord naar zijn hut. Om middernacht werd de wacht afgelost. Groves ging naar beneden en Herbert Stone, de jonge tweede stuurman, kwam op wacht samen met stuurmansleerling James Gibson. Op weg naar de brug hield kapitein Lord Stone aan, wees op het schip in de verte en zei hem onmiddellijk te waarschuwen als het schip dichterbij kwam. Lord verdween weer de kaartenkamer in en Stone ging naar de brug om Groves af te lossen. Zodra Groves de wacht had overgedragen, ging hij richting marconist om nog even een praatje te maken. Hij hoopte ook nog even naar het ingewikkelde toestel te mogen luisteren. Maar de marconist, Cyril Evans, lag al in bed met een paar weekbladen. Groves probeerde toch de ontvanger aan de gang te krijgen, maar dat lukte hem niet. Op dat moment zond de Titanic de eerste serie noodsignalen uit. Stone en Gibson op de brug probeerden, net als hun voorganger Groves, met een kleine morselamp contact met het schip te krijgen. Toen dat niet lukte, verdween Gibson van de brug om een klusje achter te klaren. Stone was nu helemaal alleen. Om ongeveer 12.45 uur schrok hij op van een vuurpijl vlak boven het schip dat hij nu al drie kwartier in de gaten hield. Een minuut of vijf later schoot de vreemdeling weer een vuurpijl af en even later weer een. Stone begreep onmiddellijk dat het noodsignalen waren, want het waren witte vuurpijlen die boven het schip ontploften en een regen van vonken achterlieten die langzaam naar beneden dwarrelden. Toch draalde hij om zijn van nature autoritaire kapitein te wekken. Misschien zou Stone zelfs nog langer gewacht hebben met het rapporteren van de vuurpijlen., als hij niet op dat moment vanaf het dek de stem van stoker George Glenn had gehoord die hem er op wees dat er in de verte vuurpijlen afgeschoten werden Stone liep naar de spreekbuis en floot zijn kapitein wakker. Hij vertelde wat hij gezien had en Lord vroeg of het herkenningssignalen waren.

In 1912 werd door schepen die nog geen radio hadden, als herkenning, wel vuurwerk aan dek afgestoken dat nooit hoog kwam en altijd kleuren bevatte. Het was onmogelijk die te verwarren met noodvuurpijlen. Dit soort herkenningssignalen werden bijna uitsluitend in kustwateren gebruikt voor meldingen aan Lloyds of bij het aanlopen van een haven. In elk geval was Stone's antwoord aan kapitein Lord: "Dat weet ik niet. Ze waren allemaal wit". Witte vuurpijlen waren in 1912 niets anders dan noodsignalen en kapitein Lord wist dat. Toch gaf hij Stone alleen maar opdracht om met de morselamp nogmaals contact met het schip te zoeken en de leerling Gibson langs te sturen als hij antwoord kreeg. Stone plaatste de spreekbuis in de houder en begon met de seinsleutel van de morselamp een oproep te tikken. Toen Gibson even later terugkwam op de brug, vertelde Stone hem wat hij had gezien en Gibson probeerde meteen of hij wel contact kon krijgen via de morselamp. Om een eventueel antwoord van het schip beter te kunnen zien, nam hij de kijker en richtte die op de vreemdeling. Hij had de kijker net scherp gesteld toen hij een lichtflits op het dek zag, gevolgd door een dunne streep vuur die omhoog schoot en in witte sterren uit elkaar spatte. Samen stonden de mannen er naar te kijken en terwijl er nog een zevende en tenslotte om half twee een achtste vuurpijl werd afgeschoten, voerden de twee een gesprek dat niet alleen maar wat gekeuvel was om de tijd door te komen. "Een schip schiet op zee niet voor niets vuurpijlen af", merkte Stone op. "Er moet iets met haar aan de hand zijn". Gibson was het er mee eens en dacht dat het "de een of andere vorm van nood" was, waarin het schip verkeerde. Nog voor de laatste vuurpijl de lucht in ging merkte Stone op: "Moet je nu kijken Gibson. Ze schijnt slagzij te maken". Gibson hield de kijker weer voor zijn ogen. "Het lijkt wel of een kant hoog uit het water oprijst", zei hij tegen Stone. Het leek alsof het schip over stuurboord slagzij maakte. Ook nadat de laatste vuurpijl door de vreemdeling was afgeschoten, bleef het schip de mannen boeien. Tegen tweeën nam Stone een paar peilingen en dacht vast te stellen dat het schip zijn positie veranderde. Gibson heeft nooit een woord over het veranderen van de positie of het wegstomen van de vreemdeling gezegd, maar wel over het verdwijnen van het schip. Stone daarentegen, vertelde tijdens het Engelse onderzoek, dat het schip langzaam wegvoer in zuidwestelijke richting en daarbij uitsluitend haar rode bakboordlicht toonde. Dat kan absoluut niet en is een onzinnig verhaal. Het zou betekenen dat de vreemdeling, in het holst van de nacht, achteruit een levensgevaarlijk ijsveld invoer: geen zinnig zeeman zou zelfs bij klaarlichte dag een dergelijk idiote manoeuvre uitvoeren. Hoewel kapitein Lord Stone alleen had opgedragen leerling Gibson te sturen als de vreemdeling dichterbij zou komen, stuurde Stone Gibson toch maar naar beneden om de ouwe te vertellen dat het schip wegvoer, bijna uit zicht was verdwenen en in totaal acht vuurpijlen had afgeschoten. De klok in het stuurhuis wees 2.05 uur aan toen Gibson op de deur van kapitein Lord klopte en zijn bericht doorgaf. Weer vroeg Lord of de vuurpijlen ook kleuren hadden en weer was het antwoord dat ze alleen maar wit waren geweest. Toen Gibson de deur dicht deed hoorde hij de ouwe nog wat zeggen, zoiets als: "Wat is er aan de hand'?", of "Wat wil je?". Lord heeft nooit erkend dat hij die conversatie met Gibson bewust gevoerd heeft. Hij beweerde zeer vast geslapen te hebben en er zich niets van te herinneren. Om 2.20 uur verdween het schip helemaal en om 2.40 uur pakte Stone de spreekbuis nogmaals op en floot de ouwe wakker. Lord stond op, liep naar de hut ernaast en pakte de spreekbuis op. Stone vertelde hem dat het schip in het zuidwesten was verdwenen en dat ze geen vuurpijlen meer had afgeschoten. Voor de derde keer vroeg Lord of de vuurpijlen kleuren hadden gehad en voor de derde keer was het antwoord: "Nee, alleen witte vuurpijlen". Ook van dit gesprek wist Lord zich later niets te herinneren. Ook op dat moment was hij nog in diepe slaap, zei hij later. Stone en Gibson staarden weer de stille koude nacht in. Nog ruim een uur en hun wacht zou er op zitten. Daarna konden ze terug naar hun warme kooi. Maar de vuurpijlen schenen niet op te kunnen, die nacht. Even voor half vier zag Gibson weer een vuurpijl. Nu meer naar het zuiden en vlak op de horizon. Het was niet meer dan een flits, maar toch voldoende om Stone te roepen die aan de andere kant van de brug stond. Stone pakte zijn kijker en kwam snel naast Gibson staan. Nu had hij een uitstekend zicht op de volgende lichtflits aan de horizon. Ook nu wist Stone dat er een vuurpijl werd afgeschoten en dat er iets aan de hand moest zijn, maar hij vond het niet nodig zijn kapitein nogmaals te wekken.
» Layout


» Clip v/d Dag


» Ook te vinden op
Facebook Netlog
Youtube Youtube

» Crewleden

» Stats