De evacuatie
Op de achterbrug van de Titanic stond kwartiermeester George Rowe nog steeds rustig op wacht, alsof er niets gebeurd was. Drie kwartier tevoren had hij de ijsberg langs zien schuiven. Aanvankelijk had hij de witte massa voor een groot zeilschip gehouden, met alle zeilen bij, maar nog voordat de massa in de duisternis achter de Titanic was verdwenen, had hij al gezien dat het een ijsberg was. Ook had hij gemerkt dat de achtersteven van de Titanic even later helemaal naar het zuiden zwaaide. Daarna was het weer net zo stil en net zo koud als tevoren. Plotseling zag hij dat er aan stuurboord een reddingsboot te water werd gelaten. Hij pakte de telefoon en belde de brug: wisten ze wel dat er een reddingsboot te water ging? "Is dit de derde stuurman?", vroeg de stem aan de andere kant. Rowe legde uit dat hij de kwartiermeester op de achterbrug was. De stem vroeg of Rowe wist waar de vuurpijlen opgeborgen lagen. Rowe zei dat hij dat wist. De stem droeg hem toen op meteen naar de brug te komen en de vuurpijlen mee te nemen. Rowe had vierde stuurman Boxhall aan de lijn gehad, die net de opdracht had gekregen om de vuurpijlen te voorschijn te halen. De reden dat Rowe de vuurpijlen naar de brug moest brengen was vuur de hand liggend, de Titanic was in moeilijkheden en er was hulp nodig. Die hulp was vlakbij, maar moest gewaarschuwd worden. Vanaf de brug van de Titanic waren de lichten te zien van een vrachtschip, dat een mijl of tien ten noorden van de Titanic lag. Soms leek het alsof het vrachtschip dichterbij kwam, dan weer dat het zich van de Titanic verwijderde, maar het bleef de hele nacht binnen gezichtsbereik.


Een foto van de ijsberg waarmee de Titanic vermoedelijk een aanvaring had.


In 1912 hadden lang niet alle schepen een draadloze telegrafieinstallatie aan boord, maar de vuurpijlen zouden zeker de aandacht van het schip weten te trekken. "Iedereen weet wat vuurpijlen op zee betekenen", schreef tweede klas passagier Lawrence Beesley na de ramp. Kwartiermeester Rowe wist die nacht dan ook onmiddellijk wat er aan de hand was toen hem naar de vuurpijlen gevraagd werd. Hij was waarschijnlijk het laatste bemanningslid dat te weten kwam dat de Titanic in moeilijkheden was. Op de brug hadden ze Rowe, die helemaal achter op het schip zijn wacht uitdiende, blijkbaar totaal vergeten. De passagiers moesten ook de nodige moeite doen om te weten te komen wat er aan de hand was. Tijdens de aanvaring lagen de meesten van hen al in bed en sliepen. Zodra het scheurende geluid onder de Titanic ophield, ging een klein deel zelf op onderzoek uit, anderen volstonden met het roepen van de nachthofmeester. In de eerste klas was het rinkelen van de hofmeesterbelletjes dan ook het eerste teken dat er iets niet in orde was. De meeste passagiers hadden echter niets gemerkt en sliepen gewoon door. Na twaalf uur kregen de hofmeesters opdracht die passagiers te wekken. In de eerste klas gingen de hofmeesters van deur tot deur, klopten aan, wachtten op antwoord en zeiden dan dat, in opdracht van de kapitein, iedereen, met zwemvest, aan dek moest verschijnen. Bij de heel luxe hutten op het A-dek, hielpen de hofmeesters hun passagiers zelfs met aankleden. In de tweede klas werd er op een aantal deuren tegelijk geklopt en geroepen dat men, met zwemvest, het bootdek op moest. De derde klas, achter in het schip, werd gewekt doordat een paar hofmeesters daar handenklappend en deuren opengooiend, door de gang renden en iedereen toeschreeuwden dat ze op moesten staan en hun zwemvest aantrekken. Over aan dek komen riepen ze niets. De derde klas voor in het schip hoefde niet gewekt te worden. Het zacht schrapende en rommelende geluid dat boven in de eerste klas gehoord werd, was hier een oorverdovend geraas geweest, dat de mensen uit hun bed deed springen.


Vanaf de Titanic werden vuurpijlen de lucht in geschoten.


Meneer en mevrouw Yasbeck renden in pyjama de gang op en zagen door een deur de chaos in het ketelruim. Ze renden meteen terug en kleedden zich aan. Toen ze de lange gang, Scotland Road, opkwamen was die al verstopt met derde klas passagiers, die tassen, dozen en hutkoffers met zich meesleepten. Inmiddels was kwartiermeester Rowe, met twaalf vuurpijlen in de blikken trommel van de Cotton Powder Company, op de brug aangekomen. "Hebt u de vuurpijlen bij u?", vroeg kapitein Smith onmiddellijk. Rowe liet de trommel zien. "Steek er een af en steek er dan om de vijf à zes minuten weer een", beval Smith. Rowe ging aan het werk en om kwart voor één schoot van de stuurboordkant van de brug, de eerste vuurpijl met een lange, dunne staart de lucht in. Met een oorverdovende knal ontplofte het projectiel hoog boven de 'Titanic en een heldere, witte regen van vonken dwarrelde langzaam naar beneden. Uit de menigte up het bootdek, klonk een angstig ahhhh! op. Toen even na twaalf uur de eerste passagiers op het bootdek verschenen en de vrouwen gevraagd werd in de boten plaats te nemen, kon men slechts een paar van hen er toe overhalen dat ook te doen. Het vooruitzicht om in een van die kleine bootjes te zitten en vervolgens in de bitter koude nacht op de Atlantische Oceaan een paar uur te moeten ronddobberen, was absoluut niet aantrekkelijk. Na de eerste vuurpijl, moest het toch voor iedereen duidelijk zijn dat de Titanic serieus hulp zocht en zou men mogen verwachten dat de vrouwen gemakkelijker over te halen zouden zijn om plaats te nemen in een boot. Dat was niet het geval. "Dames u moet nu instappen. Er is geen tijd te verliezen. U kunt niet eerst op uw gemak een boot uitzoeken. Niet treuzelen. Instappen, instappen!", riep Thomas Andrews terwijl hij langs de reddingsboten snelde.


Thomas Andrews met zijn vrouw Helen en dochter Elizabeth.


Even daarvoor had hij stewardess Annie Robinson vermanend toegesproken over het niet dragen van haar zwemvest: "Trek het aan als je leven je lief is", had hij gezegd toen ze tegensputterde omdat ze vond dat het de passagiers onrustig zou maken. De journalist en schrijver Jack Futrelle probeerde met de woorden: "Opschieten meid, de anderen staan te wachten!" , zijn vrouw over te halen in een boot te stappen. Maar May Futrelle piekerde er nog niet over in een boot plaats te nemen. Om de boten toch nog enigszins gevuld te krijgen, werden sommige vrouwen uit de tweede klas domweg bij hun middel gegrepen en in een boot gegooid: "Ruw maar afdoende", legde een stoker later uit. Alleen bij degenen die voldoende op de hoogte waren van de ernst van de situatie, was enige onrust te bespeuren. Bruce Ismay begon al aardig van de kook te raken: "Opschieten, er is geen tijd te verliezen!", riep hij tegen derde stuurman Herbert Pitman, die druk in de weer was met boot 5. "Vul de boot met vrouwen en kinderen!". Pitman kende Ismay niet en was niet gewend orders van passagiers aan te nemen. "Ik wacht de orders van de kapitein af", zei hij kortaf tegen Ismay. Naast de boot stonden de heer en mevrouw Beckwith, met hun dochter Helen Newsom en oud tenniskampioen Karl Behr - die achter Helen aanzat en haar later ook kreeg - naar de woordenwisseling tussen Pitman en Ismay te luisteren. Ismay vroeg toen of er nog passagiers waren. Mevrouw Beckwith stapte naar voren en vroeg of de twee mannen in haar gezelschap ook mochten instappen. "Maar vanzelfsprekend mevrouw, ieder van u", antwoordde Ismay gul. De hele groep stapte daarop in alle rust in. Maar toen de boot, gevuld met 41 mensen, voorzichtig omlaag werd gevierd, raakte Ismay weer geheel van de kook. "Vieren, vieren, vieren!", schreeuwde hij tegen vijfde stuurman Harold Lowe, die de leiding had. "Of je alsjeblieft wilt opdonderen, zodat ik wat doen kan", snauwde Lowe hem toe. "Moet ik soms sneller vieren? Dan verzuipt het hele zootje!".

Ismay wist niet wat hem overkwam. Lowe's uithaal was op precies dezelfde harde toon die ook zijn vader altijd tegen hem had gebruikt als hij iets niet naar de zin van zijn oude heer deed. Ook nu had hij er niet van terug. Zonder een woord te zeggen liep hij weg. Later gaf Ismay toe dat die uitbrander volkomen terecht was. Maar Lowe's familie denkt nog altijd dat het Harold Lowe's verdere loopbaan ernstig heeft belemmerd. Hij bracht het nooit verder dan tijdelijk eerste stuurman op schepen die weggebracht moesten worden en in de crisis van de jaren dertig, was hij een van de eersten die op wachtgeld werd gezet. Bij boot 8 deed zich een eenvoudig taalprobleem voor. Iets afgezonderd van de mensen bij de boot stonden Victor en Josefa Penasco de Satode. Het jonge stel was net getrouwd. Hij was 18 en zij 17 en afkomstig uit Barcelona. Engels spraken geen van beiden en ze begrepen totaal niet wat er van hen verlangd werd. De Gravin van Rothes zag het stel staan en stapte op hen af. Een paar woorden Frans waren voldoende om duidelijk te maken dat Josefa Penasco geacht werd in de boot te stappen, en. "Ja zeker", señora Penasco mocht vergezeld worden door haar kamermeisje. Victor Penasco begeleidde zijn bruid en haar hulp daarop tot in de boot en stapte toen terug het bootdek op. Het was het einde van hun avontuur, een avontuur dat alleen door jonge mensen bedacht kan worden. Het stel was op huwelijksreis naar Parijs gegaan en had hun intrek genomen in het hotel Majestic. Na een paar dagen hadden ze genoeg van Parijs en besloten, tegen de wens van Victors moeder, Doña Penasco, hun oorspronkelijke plan uit te voeren en naar New York te gaan om daar mevrouw F. Garcia te bezoeken. Om Doña Penasco niet te ontstemmen, hadden ze een groot aantal brieven geschreven en die met een flinke fooi aan een piccolo van het hotel gegeven. Elke dag postte de piccolo trouw een brief in de afgesproken volgorde. Doña Penasco ontving nog dagelijks brieven van haar zoon toen deTitanic al op de bodem van de oceaan lag en Victor Penasco's naam op de lijst van de omgekomenen stond.


De reddingssloepen van de Titanic.


De moeilijkheden met het vullen van de boten, lagen niet alleen aan de passagiers. Ook het ontbreken van regels en van een getrainde bemanning, eisten hun tol. In Southampton was er een keer geoefend met een paar reddingsboten. Die oefening had slechts bestaan uit het strijken van twee boten waar in de haven wat mee was rond geroeid. Moody en Lowe hadden toen het bevel over die boten gehad. Lowe wist zich later ook nog te herinneren dat eerste stuurman Murdoch een sloepenrol voor de bemanning had gemaakt. Lowe had de rol zelf naar de kapitein gebracht, er even naar gekeken, maar wist later niet meer in welke boot hij zelf was ingedeeld. Daarin was Lowe geen uitzondering, bijna niemand wist in welke boot hij of zij thuis hoorde. Het gevolg van die nonchalance was dat maar een klein deel van de bemanning wist waar ze moesten zijn, wat ze te doen hadden of hoe ze met de boten dienden om te gaan. Daardoor ook werden niet alle reddingsboten tegelijk buiten boord gedraaid, gevuld met passagiers en te water gelaten. Elke reddingsboot werd, onder leiding van een officier, afzonderlijk afgewerkt. Als een boot niet snel genoeg gevuld kon worden met vrouwen en kinderen, werd hij half leeg te water gelaten. De 'Titanic mocht dan wel, met al haar verlichting aan, langzaam in de oceaan wegzakken, op het bootdek was de verlichting zo spaarzaam aangebracht, dat men niet kon zien wat er een meter of tien verderop gaande was en of ergens nog vrouwen en kinderen stonden. Er werd dan ook vaak en hard om vrouwen en kinderen geroepen. Kapitein Smith, die er om bekend stond een stem als een brulboei te hebben, had er een megafoon bijgehaald, waardoor hij regelmatig riep: "Vrouwen en kinderen eerst!". Soms waren er geen vrouwen en kinderen in de directe omgeving te vinden, of wilden de vrouwen hun mannen niet achterlaten. Maar dat speelde geen doorslaggevende rol, zoals vaak gesuggereerd wordt: onkunde speelde een veel grotere rol. Vijfde stuurman Lowe wist absoluut niet dat hij de boten tot de laatste plaats kon vullen terwijl ze nog in de davits hingen. "De gevaren zijn, als je de boot overlaadt, dat het eerste wat je tegenkomt is, dat de bout doormidden breekt.... omdat ze aan de uiteinden hangt en niet in het midden gesteund wordt", legde hij senator Smith in Washington, wat onhandig uit. Harland & Wolff had nooit verteld dat ze de reddingsboten zo ontworpen en getest hadden, dat ze met een komplete bezetting van 65 man te water gelaten konden worden. Lowe vond dat 50 man het maximum was en daarmee zat hij aan de hoge kant. Anderen, dacht hij, zouden het met niet meer dan 25 of 30 man in een boot aandurven.

De slechte onderlinge verhouding tussen de officieren, speelde ook een belangrijke rol bij de trage gang van zaken op het bootdek. De wisseling in de top van de officieren, vlak voor vertrek, had toch de nodige onderlinge spanningen veroorzaakt en van een behoorlijke samenwerking was dan ook geen sprake. Tweede stuurman Lightoller bijvoorbeeld, lag tijdens de aanvaring in zijn kooi. Hij keek snel even aan dek wat er aan de hand was, ontdekte niets en ging weer terug naar zijn kooi. Als ze hem nodig hadden, wisten ze hem daar wel te vinden, dacht hij. Uiteindelijk moest Boxhall hem gaan halen. Vijfde stuurman Lowe, ook te kooi, was door alles heengeslapen en werd pas wakker van stemmen en geloop op het dek. Hij kleedde zich aan en ging zelf op onderzoek uit; hij was door zijn collega's totaal vergeten. Beide officieren werden dan ook pas een half uur na de aanvaring actief. Die activiteit bestond voor het grootste deel uit het voorkomen van paniek onder de passagiers. Alles was er op gericht de rust en orde te handhaven. Dat was natuurlijk een verstandig beleid, maar het werd zo ver doorgevoerd, dat de passagiers de indruk kregen dat er niets aan de hand was en weigerden in de reddingsboten te stappen, die daardoor, aanvankelijk maar met een handje vol mensen of op zijn best half leeg, vertrokken. Aan het nodige initiatief ontbrak het ook.


Henry Tingle Wilde


Toen tweede stuurman Lightoller, die de leiding over het te water laten van de boten aan bakboord had gekregen, aan eerste officier Henry Wilde vroeg of hij de boten buiten boord kon draaien, kreeg hij als antwoord: "Nee, wachten". Na een tijdje doelloos gewacht te hebben, ging hij rechtstreeks naar kapitein Smith en kreeg van hem wel toestemming om de boten uit te draaien. Daarmee klaar, vroeg Lightoller aan Wilde of hij de passagiers in mocht laten stappen en weer kreeg hij "nee" te horen. Lightoller ging toen weer naar kapitein Smith die niet meer zei dan: "Carry on ", wat van alles en nog wat kan betekenen. In een andere versie van die conversatie, zou kapitein Smith tegen Lightoller gezegd hebben: "Ja. zet de vrouwen en kinderen in de boten en vier ze weg". Wat het ook precies is geweest, Lightollers gedrag was typisch voor hem; hij deed niets of het moest door iemand boven hem eerst bevolen zijn: van eigen initiatief was geen sprake. Hij liet geen enkele mannelijke passagier tot de boten toe en wilde zelfs een jongen van dertien tegenhouden. "De jongen gaat met zijn moeder mee", beet de vader hem toe, alsof het een bevel was. Lightoller liet de jongen toen in de boot toe, maar mompelde wel zo iets als: "verder geen jongens meer." Pas toen hij bemanning voor de boten te kort kwam, was hij voor een keer bereid een concessie te doen. Toen boot 6 gevierd werd riep een vrouw dat er maar één man bemanning voor de hele boot was. Lightoller vroeg of er bemanning aan dek was. "Ik wil wel gaan", zei de heer Arthur Peuchen, een chemisch fabrikant uit Ottawa. "Bent u zeeman ?", vroeg Lightoller. "Nee zeezeiler", antwoordde de heer Peuchen. "Als u voldoende zeeman bent om bij de vallen te komen mag u naar beneden", zei Lightoller. Peuchen, die zich altijd als majoor Peuchen voorstelde omdat hij majoor in een chique schutterij van Ottawa was, liet zich dat geen tweemaal zeggen. Hij smeet alles wat zwaar was van zijn lijf, een leren tas, de inhoud van zijn zakken, zijn portefeuille en een blikken kistje met waardepapieren en sprong naar de val. Later heeft Peuchen alle moeite gedaan om zijn reputatie te beschermen en kreeg van Lightoller een geschreven verklaring dat hij hem in de boot had geordonneerd. Ruim tachtig jaar later werden de spullen van Peuchen bij het wrak terug gevonden. Ze tonen aan dat de majoor van de schutterij, die nacht haast had gemaakt met het van boord gaan van de zinkende Titanic. Aan stuurboord ging alles veel minder strak volgens de regels. Eerste stuurman Murdoch trok zich van kapitein Smiths order "vrouwen en kinderen eerst", weinig of niets aan. Het leven van passagiers en bemanningsleden hing af van de plek waar ze zich bevonden. Aan bakboord, waar Lightoller de regels strak hanteerde waren de kansen voor mannelijke passagiers zo goed als nul. Aan stuurboord liet Murdoch verschillende mannen instappen als hij zo gauw geen vrouwen en kinderen op het halfduistere bootdek zag. Toen Murdoch voor boot 1 maar twee vrouwen kon vinden, liet hij nog drie mannelijke passagiers instappen. Er zaten al vijf stokers in boot 1 en op het laatste moment, werden er nog twee zeelui als bemanning ingezet. Toen boot 1 weggevierd werd zaten er twaalf personen in waarvan er twee vrouwen waren en bleven er nog zo'n 30 plaatsen onbezet. Het lijkt onbegrijpelijk dat een boot die plaats bood aan ruim 40 personen, anderhalf uur na de aanvaring kon vertrekken met maar twaalf personen aan boord. De reden is, dat boot 1 zich helemaal vooraan op het bootdek bevond, praktisch tegen de stuurboordzijde van de brug aan. Op die plaats waren vierde stuurman Boxhall en kwartiermeester Rowe bezig de vuurpijlen af te schieten. Afschieten is hier het juiste woord, want de vuurpijlen werden vanuit een klein kanonnetje afgeschoten. Dat gaf een geweldige knal en een lichtflits, gevolgd door de omhoog snorrende vuurpijl en een hoop rook op het dek. Boot 1 hing daar hinderlijk in de weg. Bovendien zaten Lord en Lady Duff Gordon in de boot, twee eerste klas passagiers die nou niet bepaald te boek stonden als erg gemakkelijk en meegaand. Dit alles bij elkaar en de zure, angstige gezichten van de Duff Gordons, is zeer waarschijnlijk de reden geweest dat kapitein Smith opdracht gaf de boot vroegtijdig, te laten vertrekken. Het was toen even na één uur. Vanaf dat moment begon de situatie van het schip en de toestand aan boord ook snel te verslechteren. Het waterdichte schot tussen ketelruim 5 en 6 bezweek en de lichte slagzij naar stuurboord die de Titanic tot dan toe gehad had, maakte plaats voor slagzij naar bakboord. Scotland Road, de lange, brede gang aan bakboord op het E-dek, gaf het water vrij spel en de pompen konden het instromende water niet meer aan: de machinedienst had de mogelijkheden om de gevolgen van de aanvaring in de hand te houden, uitgeput.

Het instappen van de passagiers verliep toen ineens een stuk vlotter. Waren de meeste boten voor die tijd niet eens halfvol vertrokken, na kwart over één ontstond er zelfs gedrang bij de boten. Aan stuurboord wist men, in twintig minuten, alle vier de boten goed gevuld, weg te krijgen. Boot 9 met 56 man, boot 11 met 70 man, boot 13 met 64 man en tenslotte boot 15 ook weer met 70 man. Het zware werk werd door de jonge zesde stuurman James Moody opgeknapt, af en toe geholpen door eerste stuurman Bill Murdoch. Aan bakboord bleef het minder goed gaan. Boot 14, onder leiding van vijfde stuurman Lowe, ging weg met 63 man. Lowe had eindelijk zijn angst voor brekende boten overwonnen. Boot 16 vertrok met 56 opvarenden, maar de meeste boten gingen weg met veel open plaatsen. Boot 4, bijvoorbeeld, was de voorlaatste reddingsboot die vertrok. Er hadden nog 30 man bij gekund, en dat gold ook voor de boten 12 en 8. De tijd begon te dringen. Tegen half twee kreeg Jack Futrelle het bepaald benauwd toen zijn vrouw nog steeds niet in een boot wenste te stappen. Hij verloor definitief zijn geduld toen boot 9 weggevierd dreigde te worden, zonder dat zijn May daar in zat: "Dit gaat zo niet langer, May", zei hij. "In Gods naam, ga nu. Dit kan wel eens je laatste kans zijn, ga", smeekte hij haar en om zijn woorden kracht bij te zetten fluisterde hij haar in: "denk toch aan de kinderen, May". Met sterk tegenstrijdige gevoelens - de wil om te overleven en de wil om bij haar man te blijven - stapte mevrouw Futrelle uiteindelijk toch in. Niet iedereen had de keus om wel of niet in een boot te stappen, laat staan een boot uit te zoeken. Tweede klas passagier Lawrence Beesley, hoorde om half twee een officier tegen twee vrouwen uit de tweede klas zeggen, dat ze niet in een boot op het eerste klas deel van het bootdek konden stappen. "Nee dames, uw boten zijn op uw eigen dek", legde de man beleefd uit en de vrouwen accepteerden dat zonder morren. Of de officier een order uitvoerde of zijn eigen interpretatie van wat wel en niet mocht gaf, is niet bekend. Duidelijk is wel dat er een volledig gebrek aan regels bestond en dat de meeste officieren maar wat aan deden, of, op zijn best deden wat hen op dat moment het juiste leek. Toen de laatste boten weggevierd werden, begonnen de passagiers die houding over te nemen. Tweede klas passagier Lawrence Beesley bijvoorbeeld, sprong vanaf het bootdek in boot 13 toen die al werd gevierd, Beesley vertelde later wat te uitvoerig dat hij uitgenodigd werd in de boot te springen, maar het lijkt er meer op dat hij handig gebruik maakte van de consternatie die was ontstaan toen, op het laatste moment, nog twee dames, min of meer gedwongen werden in de boot te springen. Om vijf over twee werd de laatste boot weggevierd. Het bootdek van de Titanic was toen even bijna helemaal leeg. Hier en daar stonden nog wat mannen, maar vrouwen en kinderen waren er niet meer te vinden. Toen, opeens stroomde het dek vol met mannen en vrouwen die kinderen met zich mee sleepten. Het waren de derde klas passagiers, die eindelijk tot het bootdek werden toegelaten.
» Layout


» Clip v/d Dag


» Ook te vinden op
Facebook Netlog
Youtube Youtube

» Crewleden

» Stats