Op 14 april 1912, laat op de avond, voer de Titanic door de ijskoude wateren van de Noord-Atlantische Oceaan. De zee was uitzonderlijk kalm en de lucht helder, waardoor de sterrenhemel scherp zichtbaar was. Net deze omstandigheden maakten het extra moeilijk om ijsbergen tijdig te onderscheiden.
Rond 23.40 uur klonken er drie slagen op de bel in het kraaienest. Uitkijk Fred Fleet zag een donkere massa recht voor het schip en waarschuwde onmiddellijk de brug via de telefoon: ijsberg recht vooruit.
Op de brug reageerde eerste stuurman William McMaster Murdoch meteen. Hij gaf de order om het roer volledig te draaien en de machines achteruit te slaan, in een poging de ijsberg nog te ontwijken. De Titanic begon traag van koers te veranderen, maar haar enorme massa maakte een snelle manoeuvre onmogelijk.
Enkele seconden later was een zacht schrapend geluid te horen langs de stuurboordzijde. De ijsberg raakte het schip over een lange afstand onder de waterlijn.
Aan de oppervlakte leek de schade op het eerste zicht beperkt, maar onder water was de situatie veel ernstiger. De romp was op meerdere plaatsen opengewerkt, waardoor zeewater geleidelijk verschillende waterdichte compartimenten begon binnen te stromen.
Kapitein Edward Smith werd onmiddellijk verwittigd en kwam naar de brug. Kort daarna werd scheepsbouwer Thomas Andrews naar beneden gestuurd om de schade te beoordelen. Zijn vaststelling liet weinig ruimte voor twijfel: de Titanic was ernstig beschadigd en zou uiteindelijk niet kunnen blijven drijven.
In de eerste momenten na de aanvaring bleef het schip nog vooruit bewegen, maar langzaam werd duidelijk dat de waterdichte compartimenten niet voldoende waren om de instroom van water te stoppen.
Diezelfde nacht werd de ernst van de situatie steeds duidelijker. Wat begon als een aanvaring, groeide uit tot een noodsituatie die het lot van het schip zou bepalen.