De nacht van de Titanic-ramp wordt niet alleen bepaald door het zinkende schip zelf, maar ook door de schepen die in de buurt waren. Eén daarvan was de SS Californian, een vrachtschip dat op enkele mijlen afstand lag te wachten in een veld van ijs.
Toen de avond viel, kwam de Californian tot stilstand in het ijs. Kapitein Stanley Lord besloot om het schip te stoppen vanwege de gevaarlijke omstandigheden. Rondom het schip dreven grote ijsbergen en het zicht was beperkt. De bemanning hield daarom een waakzame wacht.
In de loop van de nacht zagen de uitkijk en de brug verschillende lichtverschijnselen in de verte. Er werd een schip waargenomen dat signalen leek te geven. Ook vuurpijlen werden opgemerkt, maar er ontstond verwarring over wat deze precies betekenden.
De marconist van de Californian had zijn radio uitgeschakeld voor de nacht, waardoor geen enkel noodsignaal werd ontvangen. Daardoor werd de ernst van de situatie niet begrepen.
De uitkijk meldde herhaaldelijk lichtsignalen aan de brug. Toch werd er op dat moment geen actie ondernomen om dichterbij te varen of hulp te bieden. Kapitein Lord bleef ervan overtuigd dat het om een normaal schip ging dat geen noodsignalen uitzond.
Pas in de vroege ochtend werd duidelijk dat de lichten verdwenen waren en dat er iets ernstigs gebeurd moest zijn. Later bleek dat dit het moment was waarop de Titanic al gezonken was.
De rol van de Californian bleef daarna onderwerp van discussie en onderzoek. Vooral de vraag waarom de vuurpijlen niet als noodsignalen werden herkend, werd veel besproken in de nasleep van de ramp.
Hoewel de Californian uiteindelijk wel ter plaatse kwam, was het te laat om nog hulp te bieden aan de overlevenden in de reddingsboten.