Nog geen twee jaar na de ramp, in 1914, werden de eerste plannen bekend om het wrak van de Titanic terug te vinden. De Amerikaanse architect Charles Smith werkte een ambitieus maar onrealistisch concept uit waarbij een krachtige elektromagneet op de zeebodem zou worden neergelaten om het stalen wrak automatisch aan te trekken. Zodra het schip gelokaliseerd was, zouden kleine duikvaartuigen extra magneten bevestigen en drijvende containers het geheel naar de oppervlakte brengen. Het plan vereiste een grote bemanning en een aanzienlijke financiële investering, maar werd nooit uitgevoerd door een gebrek aan middelen.

Na de Tweede Wereldoorlog

Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er opnieuw interesse in het zoeken naar het wrak. In 1953 voerde het Britse bedrijf Risdon Beazley Ltd. een geheime expeditie uit met een schip van de Royal Navy. Men gebruikte diepzeecamera’s en explosieven om de zeebodem te onderzoeken op de vermoedelijke locatie van de Titanic. Ondanks herhaalde pogingen in 1954 werd er niets gevonden en de onderneming verdween daarna uit beeld.

In de jaren zestig groeide de publieke interesse sterk en doken steeds meer plannenmakers op. Vaak ging het om ideeën met weinig technische onderbouw, maar veel media-aandacht. Zo kreeg Douglas Woolley met zijn “Titanic Salvage Company” veel publiciteit, ondanks het feit dat zijn organisatie nauwelijks meer was dan een klein kantoor. Zijn plannen varieerden van elektrische ontbinding van zeewater tot andere theoretische methodes die in de praktijk niet uitvoerbaar waren. Toch hield hij de gedachte levend dat het wrak ooit gevonden zou worden.

Ook andere initiatieven volgden, zoals dat van John Grattan, een voormalige marineofficier die een speciale onderzeeër ontwierp. Ook dit project werd nooit gerealiseerd.

Professionele expedities

In de jaren tachtig kwamen de eerste echt wetenschappelijke en technisch onderbouwde expedities op gang. De Amerikaanse oliemagnaat Jack Grimm financierde meerdere zoektochten met moderne apparatuur en een filmploeg, maar vond het wrak niet.

De doorbraak kwam uiteindelijk door samenwerking tussen het Woods Hole Oceanographic Institution in de Verenigde Staten en het Franse IFREMER. Onder leiding van Robert D. Ballard werd geavanceerde diepzeetechnologie ingezet, waaronder het sleepsysteem Argo met camera’s en verlichting en het fotosysteem Angus. Tegelijk ontwikkelde IFREMER een geavanceerde sonar, SAR, die grote delen van de zeebodem kon scannen.

Deze combinatie van technologie en samenwerking zou uiteindelijk de basis vormen voor de uiteindelijke ontdekking van het wrak enkele jaren later.